Voorleestips

Lezen met een babyVoorlezen kan natuurlijk altijd en overal, maar sommige momenten zijn handiger dan andere. Ook let je bij het voorlezen aan baby’s op andere dingen dan bij je peuter. Lees hier meer over hoe en waar je je baby, dreumes of peuter het best kan voorlezen. Of lees de folder Voorlezen aan jonge kinderen van 0-4 jaar: hoe doe je dat?

Lezen met baby’s


Hoe lees je voor?

Tip 1
Kies een vast voorleesmoment. Dit kan bijvoorbeeld voor het slapengaan, maar ook als rustpunt op een vaak drukke dag.

Tip 2
Ga samen lekker op een rustige plek zitten. Doe radio, televisie en computer/laptop uit, dat leidt maar af. Zorg ervoor dat jezelf ook prettig zit.

Tip 3
Houd je baby zo, dat je oogcontact kunt maken.

Tip 4
Kies een afbeelding in het boekje en laat deze goed zien. Houd het boekje zo stil mogelijk, zeker als je baby nog heel klein is. Draait je kind de oogjes of het hoofdje weg, gun het dan even rust.

Tip 5
Een of een paar afbeeldingen laten zien is genoeg. Het boek hoeft niet in een keer uit; jaag het er niet doorheen.

Tip 6
Laat je stem horen, wat je zegt is eigenlijk niet zo belangrijk. Benoem wat er te zien is, maak bijpassende geluiden of zing een liedje!

Wanneer lees je voor?

Tip 1
Voorlezen aan baby’s kan ’s middags en ’s avonds voor het slapengaan.
Of ’s morgens vroeg, wanneer het thuis lekker rustig is.

Tip 2
Wanneer je een moment van rust wil inlassen (als je kind erg actief is geweest, veel indrukken heeft opgedaan).

Tip 3
Wanneer je kind wat extra aandacht nodig heeft, omdat het hangerig of ziek is.

Tip 4
Zingen voor je baby kan de hele dag: tijdens het badje, het verschonen, het voeden, maar ook wanneer je baby niet in slaap kan komen of zich verveelt in de box.

Lezen met dreumesen en peuters


Hoe lees je voor?

Tip 1
Geef je kind de ruimte om te reageren op wat je voorleest: las een korte pauze in en kijk daarbij het kindje aan. Ga in op de reacties.

Tip 2
Geef het kind gelegenheid om iets te zeggen tijdens het voorlezen. Het gaat erom dat je kind praat, dus alle opmerkingen over het verhaal zijn goed.

Tip 3
Stel de dreumes een vraag bij wat er te zien is; ook al kan een kind nog niet praten, vaak snapt het een eenvoudige vraag wel (‘Zie jij het hondje?’; ‘Wat zegt het hondje?’: ‘Wafwaf…’).

Tip 4
Laat je kind het verhaal navertellen aan een broertje, zusje of aan opa en oma.

Tip 5
Lees en bekijk hetzelfde boek een paar keer. Dat geeft houvast en veiligheid. Iedere keer begrijpt en herkent het kind een beetje meer.

Wanneer lees je voor?

Tip 1
Je kindje moet leren begrijpen wat ‘lezen’ inhoudt. Door steeds de voorleessessie op dezelfde manier te beginnen, weet je kind wat er gaat komen. ‘Zullen we samen een boekje lezen?’

Tip 2
Laat elke keer als je begint met voorlezen dezelfde knuffel of handpop zien. Dan weet je kindje: ‘Ha, we gaan fijn samen een boekje bekijken.’

Tip 3
Lees hetzelfde boekje een aantal keren voor. Dat biedt je kindje houvast en herkenning. Vol trots zal het al gauw meedoen, en bijvoorbeeld ‘blaffen’ nog voor je kunt vragen: ‘Wat doet het hondje?’.

Tip 4
Maak van de voorleesmomenten een vaste gewoonte. Kies daarvoor de tijd die jou goed uitkomt: lekker rustig ’s morgens vroeg, ’s middags samen op de bank of voor het slapen gaan.