Lezen met je dreumes en peuter: plezier voor twee!

Tip 1
Korte pauze
Geef je kind de ruimte om te reageren op wat je voorleest: las een korte pauze in en kijk daarbij het kindje aan. Ga in op de reacties.

Tip 2
Praten
Geef het kind gelegenheid om iets te zeggen tijdens het voorlezen. Het gaat erom dat je kind praat, dus alle opmerkingen over het verhaal zijn goed.

Tip 3
Vragen
Stel de dreumes een vraag bij wat er te zien is; ook al kan een kind nog niet praten, vaak snapt het een eenvoudige vraag wel (‘Zie jij het hondje?’; ‘Wat zegt het hondje?’: ‘Wafwaf…’).

Tip 4
Napraten
Laat je kind het verhaal navertellen aan een broertje, zusje of aan opa en oma.

Tip 5
Herhalen
Lees en bekijk hetzelfde boek een paar keer. Dat geeft houvast en veiligheid. Iedere keer begrijpt en herkent het kind een beetje meer.

Iedere dag een vast ritueel!

Iedere dag een vast ritueel!

Tip 1
Leeservaring
Je kindje moet leren begrijpen wat ‘lezen’ inhoudt. Door steeds de voorleessessie op dezelfde manier te beginnen, weet je kind wat er gaat komen. ‘Zullen we samen een boekje lezen?’

Tip 2
Een duidelijk signaal
Laat elke keer als je begint met voorlezen dezelfde knuffel of handpop zien. Dan weet je kindje: ‘Ha, we gaan fijn samen een boekje bekijken.’

Tip 3
Meer van hetzelfde
Lees hetzelfde boekje een aantal keren voor. Dat biedt je kindje houvast en herkenning. Vol trots zal het al gauw meedoen, en bijvoorbeeld ‘blaffen’ nog voor je kunt vragen: ‘Wat doet het hondje?’.

Tip 4
Vaste prik
Maak van de voorleesmomenten een vaste gewoonte. Kies daarvoor de tijd die jou goed uitkomt: lekker rustig ’s morgens vroeg, ’s middags samen op de bank of voor het slapen gaan.